De strijd tussen de traditie van gerechtigheid en barmhartigheid

Hans Rutten heeft ons met ‘Een spoor van gerechtigheid’ een prachtig boek bezorgd. Op de eerste plaats omdat dit boek het meest complete overzicht biedt over zestig jaar diaconie vanuit de katholieke kerk: vanaf 1965 tot nu toe. Ik ben zelf redelijk actief geweest op diaconaal gebied en maak dus deel uit van die geschiedenis, maar ook ik las veel nieuws en leerde bij. Op de tweede plaats omdat de auteur niet alleen historisch goed onderlegd is, maar de zaken zowel maatschappelijk als kerkelijk goed in context weet te plaatsen en bovendien goed op de hoogte is van de theologische kwesties die aan de orde zijn.

 Jozef Wissink is oud hoogleraar dogmatische theologie


Twee theologische tradities

Dat laatste blijkt al uit de wijze, waarop hij de twee brandpunten schetst van de twee tradities die door heel de geschiedenis heen elkaar bevruchten, maar ook in spanning staan tot elkaar. Aan de ene kant is dat de traditie die de rechtvaardigheid centraal stelt als vraag naar een maatschappelijke ordening die vrijheid en welstand voor iedereen wil bereiken en geen enkele groep uitsluit van rechtsbescherming, van culturele ontwikkeling, van meedelen in de welvaart, van politieke medezeggenschap. Aan de andere kant staat de traditie die de caritas, de deugd van de liefde centraal stelt. In die traditie gaat het om zorg voor de armen, het verlenen van noodhulp. In deze traditie was er ook vaak minder oog voor de relatieve autonomie van het seculiere, natuurlijke leven, zodat de armenzorg vooral belangrijk was als instrument van het werven voor het christelijk geloof, het heil van de zielen. De auteur laat overtuigend zien, dat tot en met het Landelijk Pastoraal Overleg (LPO) deze twee theologieën op de achtergrond meespelen.

Hans Rutten kiest helder partij voor de traditie van het opkomen voor rechtvaardigheid in de samenleving en definieert diaconie overwegend als “het maatschappelijk handelen van (groepen van) gelovigen, waarin zij opkomen voor een rechtvaardiger samenleving”. Zonder negatieve oordelen over een gezuiverde voortzetting van de caritas-traditie (door de auteur “caritas-plus” genoemd), waarbij men niet slechts vanuit de hoogte mensen noodhulp verleent en er heimelijke missionaire bedoelingen mee heeft, denk ik dat ook de analyse van onze samenleving in het licht van de Schriften en het handelen tegen onrecht en voor een rechtvaardiger en barmhartige samenleving wezenlijk tot de zending van de kerk behoort.

 Kloppen de aangegeven jaartallen?

Ik heb twee punten van kritiek, waar in latere drukken misschien iets aan kan gebeuren. Het eerste betreft de getallen, die genoemd worden met betrekking tot de jaren waarover het boek gaat. In de ondertiteling wordt gesproken over “veertig jaren rooms-katholieke diaconie (1985-2025)”. In het boek zie ik (na een inleidend hoofdstuk over de armenzorg en de sociale kwestie tussen 1800 en 1865) de nauwkeuriger weergave van de geschiedenis beginnen in hoofdstuk 3, dat de tijd van 1965 tot 1985 omvat. Daarna volgen er hoofdstukken, die de tijd omvatten van 1985 tot 2006 en vervolgens de tijd van 2006 tot 2025. Daarmee zie ik een beschrijving van 60 jaar en niet van 40 jaar. Wanneer de auteur vervolgens in de titel van hoofdstuk 1.3 spreekt over de vier tijdvakken tussen 1965-2006, kan ik het vierde tijdvak nergens vinden.

Meer recht doen aan de Collins-discussie

Het andere punt van kritiek is, dat ik de behandeling van de Collins-discussie door de auteur niet helemaal adequaat vind. De bijbelkundige Collins heeft ontdekt, dat in het klassieke Grieks en ook duidelijk op een aantal plaatsen in het Nieuwe Testament de termen met de stam “diak-“ zoals diakonos, diakonia, diakonein eerder te maken hebben met bemiddelen, boodschappen overbrengen dan met armenzorg of maatschappelijk handelen. Voor Hans Rutten lijkt die hele discussie eerder op een stoorzender voor zijn betoog dan dat hij er aandacht voor wenst. Hij ziet dat een aantal volgelingen van Collins hem op een aantal plekken terug roepen (bijvoorbeeld dat het bij de diakonia in Handelingen 6 wel degelijk om voedselbedeling gaat) en concludeert opgelucht, dat we het Collins-debat dus wel terzijde kunnen schuiven en ongehinderd kunnen doorgaan met het woord diaconie te gebruiken in de betekenis, waarin dit woord gebruikt wordt in dit boek. Ik vrees dat we op deze manier over woordjes gaan strijden, meer dan over de zaken. Het maatschappelijk handelen van katholieken ten dienste van een rechtvaardiger en barmhartiger samenleving werd al belangrijk gevonden, toen geen katholiek dat associeerde met het woord “diaconie” en ik hoop dat katholieken die zaak ook belangrijk blijven vinden, wanneer ze het woord “diaconie” er niet meer voor blijven gebruiken. Ik zou ervoor willen pleiten, dat als bisschoppen, diakens en hopelijk ook diakonessen willen, dat ze zich dan afvragen met welke dimensies van het leven de kerk verbinding moet zoeken, waar die verbinding er nog niet is en dat zij dan diakens en diakonessen zoeken, die die verbinding voor de kerk kunnen realiseren. Daarmee bepleit ik juist op grond van de analyses van Collins dat de kerk ook diakens aanstelt ten dienste van de zorg van de kerk voor een rechtvaardiger en barmhartiger samenleving.

Hans Rutten, ‘Een spoor van gerechtigheid. Veertig jaar rooms-katholieke diaconie in Nederland (1985-2025)’, Utrecht, Eburon, 2025, ISBN 978-94-6301-558-5, € 29,90.