|
Toine
van den Hoogen is hoogleraar fundamentele theologie Radboud Universiteit
Nijmegen Katholieke
armenzorg als onderdeel van de ‘sociale kwestie’ Op
de eerste plaats situeert het de zogenoemde armenzorg in de rooms-katholieke
kerk in met name Nederland vanaf de 19e eeuw in de ontwikkelingen
van de zogenoemde ‘sociale kwestie’ in Nederland. Het biedt een helder inzicht
in de bestuurlijke structuren die tot ontwikkeling gekomen zijn in de rooms-katholieke
kerkgemeenschap in Nederland, met name ook in relatie tot de structuren die in
de respectieve overheden in de Nederlandse samenleving zijn ontstaan. In dit
opzicht biedt het boek een belangrijke bijdrage aan een weinig bekende kant van
de kerkhistorische ontwikkelingen van de Nederlandse rooms katholieke
kerkgemeenschap. Katholieken
als actoren in de ecclesiologie Op
de tweede plaats laten de inzichten in de kerkhistorische ontwikkelingen ook
zien dat in de bestudeerde periode een aantal belangrijke verschuivingen hebben
plaatsgevonden in ecclesiologisch opzicht. De actoren van deze kerkhistorische
ontwikkelingen waren gelovige leken die een nieuw besef ontwikkelden en
uitdroegen van hun verantwoordelijkheid voor het geloof van de kerkgemeenschap.
En voor velen van hen was dat nieuwe besef nauw verbonden met een als
vanzelfsprekend beschouwde oecumenische gerichtheid op broeders en zusters in
het geloof in protestants-christelijke kerkgemeenschappen. De
(rooms-katholieke) gelovige leken wisten zich gesteund door teksten die op het
Tweede Vaticaans concilie tot stand waren gekomen. Het boek van Hans Rutten
laat zich ook lezen als een reconstructie van deze ecclesiologie in de
praktijken van christelijke armenzorg. Diakonie
als de (h)erkenning van Gods onvoorwaardelijke heilshandelen Op
de derde plaats vraagt het boek erom gelezen te worden in het licht van de
hoofdtitel ‘Een spoor van gerechtigheid’. In de loop van de periode die
volgt op het Tweede Vaticaans Concilie ontstaat een vernieuwde theologische
reflectie waarin armenzorg niet benaderd wordt als een ethische consequentie
van de menselijke verhouding tot God, maar als de verkondiging van Gods
heilshandelen en diakonie als de (h)erkenning van Gods onvoorwaardelijke
heilshandelen, hier en nu bij de zwakken. Diakonie richt zich op sporen van
verlangen naar heil die schuilgaan in verzet tegen wat in bestaande
verhoudingen mensen onderdrukt. Het na Vaticanum II tot leven komende diakonaat
als functie van het kerkelijk ambt wordt gezien als een ambassadeurschap met
managements- en communicatietaken, die aan de zorg voor de armen een nieuw
ecclesiaal kader geven en de christelijke armenzorg een kader geven die de
caritas structureel overstijgt. Toch
zal de wal het schip keren Voordat
de bisschoppen zich een nieuw diaconaal bewustzijn en een diaconale geestdrift
konden eigen maken moesten ze op last van ‘Rome’ diaconie blijven begrijpen in
hun traditionele kerkvisie als ‘diaconia caritatis’, als zedelijke
plicht voortkomend uit de geloofsdaad, die weliswaar niet louter bedėlend maar
veel meer op maatschappelijke noden gericht kon zijn, maar geen centraal
element van de identiteit van de katholieke leek. Het snel veranderende – dus:
verarmende en verkleinende – kerkelijke kader van de kerkelijke, landelijke en
lokale organisatie droeg ook sterk bij aan het ontstaan van de diaconie als
‘caritas plus’. En de gevolgen van de secularisering (sterk teruglopend
kerkbezoek) brachten de bisschoppen tot het plaatsen van veel accent op een
missionerende kerk. Een
helder en lezenswaardig boek. Hans
Rutten, ‘Een spoor van gerechtigheid. Veertig jaar rooms-katholieke diaconie in
Nederland (1985-2025)’, Utrecht, Eburon, 2025, ISBN 978-94-6301-558-5, € 29,90.
|